Op 14 mei was het in Italië, net als in Nederland, moederdag: la festa della mamma. Naar aanleiding van die feestdag ging onze taalles over het gebruik van data in het Italiaans: de dagen van de week en de maanden, maar ook wanneer je wel en geen lidwoord gebruikt, wanneer je een rangtelwoord gebruikt en welke voorzetsels je nodig hebt in combinatie met bijvoorbeeld de maanden.

Ken jij de dagen van de week en de maanden van het jaar al uit je hoofd? Zo niet dan kun je ze leren met behulp van deze twee wrts-lijsten:

I giorni della settimana
I mesi dell’anno

Laten we, nu je deze woorden kent, eens kijken welke regels of bijzonderheden er zijn als het gaat om het gebruik van de dagen van de week, maanden, jaren en datumaanduidingen in het algemeen:

1. Als ‘s maandags, dinsdags, etc. wilt zeggen, dan gebruik je een bepaald lidwoord voor de dagen van de week:

maandag = lunedì
‘s maandags = il lunedì

NB. tot maandag = a lunedì!

De dagen van de week zijn mannelijk, behalve zondag:

zondags = la domenica

2. Data hebben normaal gesproken een lidwoord, behalve als de datum voorafgegaan wordt door een dag:

il 14 maggio 
maar:
domenica 14 maggio

3. De eerste van de maand krijgt een rangtelwoord, daarna gebruik je een hoofdtelwoord:

il primo maggio
il due maggio
il tre maggio

etc.

4. Als een telwoord met een klinker begint, zoals otto en undici, dan gebruik je l’, ook als je de datum als een cijfer schrijft:

il sette maggio
l’otto maggio
l’undici maggio

en ook:
il 7 maggio
l’8 maggio
l’11 maggio

5. Als je wilt wanneer iemand jarig is, vraag je ‘Quando compi gli anni?’ (compiere gli anni) of ‘Quando sei nato (mannelijk) /nata (vrouwelijk)?

Mijn antwoord zou dan zijn:

Compio gli anni il 22 febbraio.
of
Sono nata il 22 febbraio 1981 (millenovecentottantuno)

6. Als je alleen de maand wil zeggen, dan gebruik je het voorzetsel in of a:

Compio gli anni in a giugno.

7. Wil je alleen het jaar zeggen waarin je geboren bent, dan gebruik je nel:

Nel is de samenvoeging van in + il.

Sono nata nel 1981.

Nu is het aan jou! Vertaal:

1. Op zondag sta ik laat op.
2. Hij is geboren in 2015.
3. Zij is jarig op 25 juni.
4. De cursus begint op maandag 13 maart.
5. We zien elkaar op 11 september.
6. Tot dinsdag!
7. Zij gaan vrijdag naar de film.
8. Op 1 december ga ik naar Italië.

 

De antwoorden:

1. Op zondag sta ik laat op.
La domenica mi alzo tardi.
2. Hij is geboren in 2015.
E’ nato nel duemilaquindici. LET OP: Het is niet mille maar mila!
3. Zij is jarig op 25 juni.
(Lei) compie gli anni il venticinque giugno.
4. De cursus begint op maandag 13 maart.
Il corso inizia lunedì 13 marzo.
5. We zien elkaar op 11 september.
Ci vediamo l’undici (l’11) settembre.
6. Tot dinsdag!
Ci vediamo martedì!
7. Zij gaan vrijdag naar de film.
Venerdì vanno al cinema
8. Op 1 december ga ik naar Italië.
Il primo dicembre vado in Italia.